Voorafgaand aan mijn reis door zuidelijk Afrika was ik niet alleen mijn koffer aan het inpakken, maar ook een flinke dosis zorgen. Een groepsreis betekent immers: dagenlang met dezelfde mensen optrekken. En dan begint het te malen: “Zullen ze me wel zien zitten? Kan ik mezelf zijn, of moet ik voortdurend mijn woorden op een goudschaaltje wegen?” Dat gevoel van ‘anders zijn’ draag ik al zolang ik me kan herinneren met me mee. Alsof er altijd een dun laagje glas tussen mij en de rest zit. Ik zie en hoor alles, maar voel me niet vanzelfsprekend onderdeel van het geheel. Het voelt voor mij niet persé eenzaam. Ik zou het eerder als een soort vervreemding omschrijven. Maar deze keer liep het anders. Het was niet zo dat ik vanaf dag één volledig opging in de groep of dat iedereen me meteen helemaal begreep. Maar er was wél ruimte. Ruimte om er gewoon te zijn, om af en toe een grapje te maken, of even stil te zijn zonder dat het ongemakkelijk werd. Misschien was het een mix: zij vonden mij blijkbaar oké genoeg, en ik vind het inmiddels niet meer zo rampzalig om de ‘outcast’ te zijn. Die rol zegt tenslotte niet dat je er niet bij hoort — soms betekent het alleen dat je je eigen plek hebt. Het werd een reis vol bijzondere plekken, mooie gesprekken en genoeg momenten waarop ik me op mijn gemak voelde. En dat is voor mij al heel wat, om dat te ervaren buiten de HB-Community. Ik kwam thuis met honderden foto’s, maar het beeld dat me het meest bijblijft, is niet één waarin ik midden in de groep sta. Het is er één waarin ik mezelf zie — op mijn eigen manier, en dat is prima.
