Oude pijn, nieuwe woorden

Afgelopen vrijdag was ik op een congres met onderwijsmensen uit het primair onderwijs en, in mindere mate, ook uit het voortgezet onderwijs. Er werd gesproken over hoe je als docent hét verschil kunt maken. In positieve zin — en helaas ook in negatieve zin.

En ja… dat is waar.

Als kind en puber heb ik op de basisschool én op de middelbare school woorden gehoord die zich in mij hebben vastgezet. Zinnen die volwassenen achteloos konden uitspreken, maar die voor mij als waarheid gingen voelen. Dingen die me klein maakten. Anders. Lastig. Te veel. Of juist niet genoeg. En het gekke is: die wonden verdwijnen nooit helemaal.

Ze doen niet meer elke dag pijn. Ik functioneer prima, ik lach, ik leef, ik doe mooie dingen. Maar soms, als ik niet zo lekker in mijn vel zit, zijn ze er ineens weer. Alsof iemand precies op dat oude plekje drukt.

In een workshop deelde ik zo’n ervaring. Niet om zielig te doen, maar omdat het onderwerp erom vroeg. En iets bijzonders gebeurde: mijn verhaal inspireerde de spreekster om óók een ervaring te delen — iets wat ze nog nooit in het openbaar had uitgesproken.

Dat vond ik misschien wel het mooiste van de dag: het besef dat er veiligheid genoeg was om zo open te zijn. En dat openheid anderen niet afschrikt, maar juist uitnodigt. Herkenning is helend.

En misschien is dát wel hoe je het verschil maakt: niet door altijd alles goed te doen, maar door ruimte te maken voor de mens achter het verhaal.

Zie je wel… jij bent ook gewoon normaal.

Gehoord; Over hoofdpijn, paracetamol en écht luisteren

Ik had al weken hoofdpijn. Zo’n zeurende pijn die er altijd lijkt te zijn, net genoeg om je uit je concentratie te halen, maar niet ernstig genoeg om er direct iets mee te doen. Dus stelde ik het uit. Want ja, aanstellerij, dacht ik. Er zijn mensen met échte problemen.

En eerlijk: als je je hele leven al behoorlijk anders voelt dan de rest, ben je extra alert op hoe je wordt ontvangen. Word je wel serieus genomen? Of word je in gedachten al in de categorie “aanstellerij” geplaatst?

Bovendien: wat zou de dokter er nou mee kunnen? Ik zag het al voor me — vijf minuten gesprek, advies om wat minder stress te hebben en het vriendelijke voorstel om een paracetamolletje te nemen. Klaar.

Maar niks van dat alles. De dokter nam de tijd. Ze vroeg door, luisterde, dacht mee. Er was geen haast, geen oordeel. Na drie kwartier liep ik haar kamer uit met een concreet plan, een gerust gevoel en — verrassend genoeg — nog steeds hoofdpijn, maar wel een stuk lichter van binnen.

In de wachtkamer bleek het intussen bomvol. Ze liep dus inderdaad vreselijk uit. En toch voelde dat niet als onprofessioneel, maar als menselijk.

Want soms is dat alles wat we nodig hebben: oprechte aandacht. Even voelen dat je gezien wordt, dat je niet “te ingewikkeld”, “te veel” of “aanstellend” bent. Gewoon: jij mag er zijn.

En gek genoeg helpt dat soms beter dan een paracetamol.

Als speelsheid op de to-do-lijst staat

Er zijn van die periodes waarin alles tegelijk lijkt te gebeuren. Mijn mailbox stroomt over, mijn agenda loopt vol met afspraken, deadlines en lijstjes met dingen die “eigenlijk gisteren al klaar hadden moeten zijn” slingeren overal rond. En terwijl ik druk bezig ben met afvinken, merk ik dat er iets anders stilvalt: mijn inspiratie.

Het is alsof mijn hoofd zo vol zit met praktische taken dat er geen ruimte meer overblijft voor de luchtigheid waarin ideeën kunnen ontstaan. Geen speelsheid, geen creativiteit, alleen efficiëntie. En dat klinkt misschien productief, maar ik voel mijn energie gewoon wegstromen.

Vanuit hoogintelligent denken (Delphi-model) blijven we gemakkelijk in ons hoofd hangen — analyserend, ordenend, oplossend. Maar juist dat scherpe denken kan de ruimte voor verwondering en speelsheid in de weg zitten.

De Eisenhower-matrix zegt dat je onderscheid moet maken tussen wat belangrijk is en wat alleen maar haast heeft. Maar eerlijk gezegd: in drukke weken wint haast het bijna altijd. En dat is jammer, want juist in de ruimte tussen de taken — in het nietsdoen, het mijmeren, het even niksen — ontstaat de echte inspiratie.

Ik probeer mezelf eraan te herinneren dat ik geen machine ben, maar een mens. En dat spelen, dwalen en lanterfanten óók werk is — alleen op een andere frequentie.

Want zonder speelsheid geen inspiratie. En zonder inspiratie is zelfs het drukste lijstje eigenlijk behoorlijk leeg.

Nieuw jaar, oude ik

Nieuw jaar, nieuwe ronde, nieuwe kansen. Het klinkt altijd zo hoopvol. Alsof we op 31 december om 23:59 nog nét vastzitten in het oude leven, en op 1 januari om 00:01 ineens fris, vernieuwd en herboren zijn.

Ik heb dat altijd een vreemd idee gevonden. Want wat is er nu écht veranderd? De kalender slaat om, we wisselen 2025 in voor 2026, en dat is het. Geen resetknop, geen magische herstart. Alleen andere cijfers. Iets wat wij ooit hebben bedacht om de tijd overzichtelijk te houden. Best handig, maar ook behoorlijk kunstmatig.

En toch doen we massaal alsof het een nieuw begin móét zijn. Nieuwe doelen, nieuwe voornemens, een nieuwe versie van jezelf. Alsof alles wat nog onaf is per 31 december als bij toverslag automatisch vervalt.

Ik vraag me af of hoogbegaafden hier extra last van hebben. Misschien omdat we sneller door dat soort constructies heen kijken? Omdat we zien dat tijd gewoon doorloopt, dat processen niet stoppen bij middernacht, en dat verandering zelden netjes samenvalt met een kalenderpagina?

Ik houdt niet van in hokjes denken en zo voelt het wel; Is het leven niet eerder één lange stroom, met bochten, versnellingen en soms een pauze?

Misschien is dat waarom ik het nieuwe jaar liever zie als een voortzetting dan als een begin. Geen nieuwe ronde, maar dezelfde reis, één stap verder.

En eerlijk gezegd: dat voelt een stuk rustiger dan doen alsof ik mezelf elk jaar opnieuw moet uitvinden.

Mag ik om hulp vragen? Eh… hoe doe je dat?

Op mijn Loesje-kalender stond vanochtend: “Om hulp vragen, kan iemand me daarbij helpen?”
Ik dacht gelijk: deze móet ik delen!

Hulp vragen blijkt namelijk een vak apart. We leren van jongs af aan dat je zelfstandig moet zijn en sterk. Dus lopen we op volwassen leeftijd vrolijk (!) door met rugzakken vol zooi die eigenlijk te zwaar zijn. Problemen die eigenlijk te veel zijn en een hoofd dat eigenlijk te vol zit. Maar vragen of iemand even met je meedenkt? Nee hoor, dat kan niet… toch?

Voor veel mensen is vooral die eerste stap zo lastig: toegeven dat je ergens mee zit. En dan komt de volgende vraag: “Is het überhaupt erg genoeg? Mag ik hier wel hulp bij vragen?” Alsof je eerst een soort innerlijke checklist moet doorlopen:

  1. Heb ik genoeg last?
  2. Is het een serieus probleem of ‘stel ik me aan’?
  3. Zijn er mensen die het zwaarder hebben?
  4. Moet ik eerst nog drie weken zelf proberen voordat ik het officieel mag uitbesteden?

En voor je het weet, ben je je eigen klachten aan het minimaliseren terwijl je eigenlijk al lang een steuntje in de rug had kunnen gebruiken.

De stap naar coaching of professionele hulp voelt voor velen dan óók nog eens gigantisch. Niet omdat ze het niet willen, maar omdat het in hun hoofd klinkt alsof je daarmee toegeeft dat je “faalt”. Ik las vanmorgen nog zo’n post op LinkedIn. Terwijl het in werkelijkheid precies het tegenovergestelde is: het getuigt juist van moed om te zeggen “Ik wil dit graag anders, en ik hoef het niet alleen te doen.”

En laten we eerlijk zijn: waarom zou je een ingewikkeld vraagstuk in je eentje blijven ontcijferen als er mensen bestaan die precies dát leuk vinden om te begeleiden?

Misschien zouden we het hulpvragen gewoon moeten zien als een normale menselijke vaardigheid. Zoals leren fietsen, of leren dat je plant water nodig heeft (en dat negeren geen strategie is). Je hoeft het niet meteen perfect te kunnen.

Hierbij nodig ik je uit:
Oefen eens met een kleine vraag. Iets kleins waar je niet meteen existentiële angsten van krijgt. Stel die eens aan een ander en ontdek dat mensen meestal helemaal niet raar opkijken. Sterker nog: de meesten vinden het fijn als ze iets voor je kunnen betekenen.

En mocht je dat nog steeds eng vinden, vraag dan gewoon:
“Om hulp vragen, kan iemand me daarbij helpen?”

Wie weet is dat precies de opening die je nodig hebt.

En als je in het nieuwe jaar denkt: weet je wat, ik ga het gewoon vragen — dan ben je bij KernKompas van harte welkom.

In één lijn met Taeke

Het valt me steeds vaker op hoe verdeeld de wereld lijkt. In de politiek buitelen meningen over elkaar heen, vooral nu weer bij de algemene politieke beschouwingen. Polarisering lijkt het nieuwe normaal. En eerlijk gezegd: ik word daar doodmoe van.

Misschien juist daarom raakte de workshop Flyball met mijn hond Taeke me zo. Zoals je op de foto kunt zien, zijn we daar samen bezig. Hij, vol energie en enthousiasme, ik met volle aandacht voor hem. Geen woordenstrijd, geen tegenstellingen, maar pure samenwerking. Hij vertrouwt op mij, ik op hem. Dat is verbinding.

Hoogsensitiviteit is een van de elementen in het Delphi-model van hoogbegaafdheid. Alles komt intens binnen, en juist daardoor kunnen we een diep verlangen voelen naar echtheid en verbinding. Het raakt als dat ontbreekt, maar het geeft vleugels als het er wél is. Voor mij zit dat gevoel niet in grote politieke debatten, maar juist in zulke kleine momenten van pure afstemming.

En terwijl we daar samen renden, sprongen en lachten (nou ja, ik lachte, hij blafte), dacht ik: dit is wat ik vaker wil zien — niet alleen hier met mijn hond, maar ook in de samenleving.

Want samen zijn we écht beter. Samen is fijner, leuker en uiteindelijk ook veel effectiever. Je hoeft het niet over alles eens te zijn, zolang je maar dezelfde kant op rent.

Als het aan mij ligt, wat meer Flyball in de wereld. Minder polariseren, meer samenwerken. Ik teken ervoor.

Tijdelijk buiten gebruik

Over ziek zijn, saaiheid en de kunst van nietsdoen

De afgelopen twee weken was ik ziek. Niet ernstig, maar net genoeg om compleet uit mijn doen te zijn: koorts, hoofdpijn en een afgrijselijk duffig hoofd. Denken ging niet, focussen lukte niet, en zelfs simpele dingen voelden alsof ik door stroop heen moest.

Ik was te ziek om echt iets te doen, maar net niet ziek genoeg om de hele dag te slapen. Dus zat ik daar: te moe om iets te ondernemen, maar te wakker om niets te doen. En dat is lastig, want in mijn hoofd is het normaal gesproken altijd gezellig druk met gedachten, plannen, ideeën en zijpaadjes die om aandacht roepen.

Nu was het irritant stil daarbinnen. Geen ideeën, geen inspiratie, geen vonkje creativiteit. Alleen wat vage mistflarden. En eerlijk? Dat was saai. Ontzettend saai. Alsof mijn brein tijdelijk op vakantie was, maar had vergeten te zeggen waarheen.

Misschien was dat wel de les van deze weken: soms is er niets mis met even niets. Geen denken, geen plannen, geen doelen alleen gewoon een beetje zijn. En toen ik uiteindelijk, met dat wattenhoofd, maar gewoon met de honden ben gaan wandelen, kwam er langzaam weer wat leven in. Frisse lucht, rondsnuffelende neuzen, modder onder mijn schoenen. Uit mijn hoofd, in mijn lijf. Best lekker wel!

Hoewel… zelfs dat probeerde ik natuurlijk vooral heel goed te doen. Zo efficiënt mogelijk herstellen, met maximale ontspanning in minimale tijd. Tja. Oude gewoontes slijten langzaam.

Samenwerken in de snelkookpan

Als een van de directeuren van het IHBV werk ik bijna altijd samen met andere hoogbegaafden. En laat ik je vertellen: dat is als werken in een snelkookpan. Zodra de eerste ideeën op tafel liggen, schiet het tempo omhoog. Er wordt gedacht, geassocieerd, bevraagd, bediscussieerd en weer omgegooid. Alles tegelijk, alles intens.

En eerlijk: dat is fantastisch. In een paar uur kom je tot inzichten en plannen waar anderen misschien weken over doen. Het voelt als een snelkookpan waarin de druk en temperatuur oplopen: alles gaart sneller, de essentie blijft beter behouden en de uitkomst is vaak rijker en smaakvoller dan wanneer je het op het gewone vuur had laten pruttelen.

Maar laten we eerlijk zijn: acht uur achter elkaar hou je dit niet vol. Na een ochtend bruis ik van energie én ben ik compleet gesloopt. Mijn hoofd draait dan nog wel door, maar mijn lijf roept: pauze, nu!

Volgens het Delphi-model van hoogbegaafdheid is dat niet zo vreemd. Hoogbegaafden zijn vaak snel, intens, creatief en complex in hun manier van denken en doen. Zet er een paar bij elkaar en je krijgt een enorme versnelling. Prachtig, maar ook onmogelijk om de hele dag vast te houden.

Toch zou ik het voor geen goud willen missen. Want juist in die intensiteit zit de inspiratie. Je wordt uitgedaagd, aangescherpt, verrast. En je voelt hoe je met elkaar tot iets komt dat je in je eentje nooit had bedacht.

Dus ja, samenwerken met hoogbegaafden is soms vermoeiend. Maar bovenal: het is een feest — in de snelkookpan. Je hoeft er alleen niet élke dag in te koken.

Altijd bang

Ooit zocht ik hulp bij een psycholoog en daar had ik een diagnose voor nodig. Anders mocht het niet. Na het invullen van een stapel vragenlijsten kwam daar de diagnose angststoornis NAO uit. NAO = Niet Anders Omschreven en dat betekent dat je niet in een van de standaardhokjes past, maar wél in een hokje moet. Handig, toch? Zo kon de behandeling beginnen. Alleen jammer dat ik mezelf in die diagnose totaal niet herkende.

Want ja, ik ben vaak bang. Maar niet op de manier die in de boekjes staat. Ik zie gewoon álle opties waarop iets mis kan gaan. En geloof me: dat zijn er veel. Het brein van een hoogbegaafde is namelijk een soort popcornmachine — er springt altijd wel weer een scenario omhoog.

Maar gek genoeg laat ik me er niet door tegenhouden. Integendeel. Ik beland in de meest bizarre situaties. Ga gerust mee op safari in Afrika, spreek voor een volle zaal of trim mijn eigen hond (zie een eerdere column) — terwijl mijn hoofd onderweg honderdtwintig keer roept: maar wat als…?!

Pas later snapte ik dat mijn angst niet weg te behandelen viel, want het is geen los probleem. Het ís wie ik ben: snel, complex, intens. Ik zie te veel mogelijkheden. En eerlijk gezegd: dat is soms doodvermoeiend, maar ook best handig.

Dus ja, ik ben bang. Maar bang mét lef.

Goed genoeg!

Ik heb mijn hond Silke zelf getrimd. Uit pure nood: het is bloedheet, haar vacht is veel te lang, en mijn vaste trimster is met zwangerschapsverlof.

Normaal gesproken zou ik er niet eens aan beginnen. Mijn trimster knipt Silke altijd prachtig — gelijkmatig, strak, precies zoals het hoort. En ik? Ik weet van tevoren al dat ik het nooit zó mooi kan doen. Dus denk ik: Als het niet perfect kan, dan maar niet.

Maar dit keer was het anders. De temperatuur liep op, Silke hijgde zich suf, en mijn perfectionisme moest maar even plaatsmaken voor gezond verstand. Tondeuse gepakt (ik heb uiteraard wel de perfecte spullen in huis 😇), hond op tafel, en gaan. Het resultaat? Laten we zeggen: het is… luchtig. Zeker niet trimwedstrijd-waardig, maar Silke loopt vrolijk rond en voelt zich duidelijk beter.

Het deed me beseffen hoe vaak ik dingen laat liggen omdat ik ze niet perfect kan doen. Alsof ‘goed genoeg’ geen optie is. Terwijl goed genoeg soms precies is wat nodig is — voor Silke, maar ook voor mezelf.

En weet je? Elke keer dat ik naar haar scheve plukjes kijk, glimlach ik. Want daar loopt ze, blij en opgelucht. En dat is perfect genoeg.