Er zijn van die periodes waarin alles tegelijk lijkt te gebeuren. Mijn mailbox stroomt over, mijn agenda loopt vol met afspraken, deadlines en lijstjes met dingen die “eigenlijk gisteren al klaar hadden moeten zijn” slingeren overal rond. En terwijl ik druk bezig ben met afvinken, merk ik dat er iets anders stilvalt: mijn inspiratie.
Het is alsof mijn hoofd zo vol zit met praktische taken dat er geen ruimte meer overblijft voor de luchtigheid waarin ideeën kunnen ontstaan. Geen speelsheid, geen creativiteit, alleen efficiëntie. En dat klinkt misschien productief, maar ik voel mijn energie gewoon wegstromen.
Vanuit hoogintelligent denken (Delphi-model) blijven we gemakkelijk in ons hoofd hangen — analyserend, ordenend, oplossend. Maar juist dat scherpe denken kan de ruimte voor verwondering en speelsheid in de weg zitten.
De Eisenhower-matrix zegt dat je onderscheid moet maken tussen wat belangrijk is en wat alleen maar haast heeft. Maar eerlijk gezegd: in drukke weken wint haast het bijna altijd. En dat is jammer, want juist in de ruimte tussen de taken — in het nietsdoen, het mijmeren, het even niksen — ontstaat de echte inspiratie.
Ik probeer mezelf eraan te herinneren dat ik geen machine ben, maar een mens. En dat spelen, dwalen en lanterfanten óók werk is — alleen op een andere frequentie.
Want zonder speelsheid geen inspiratie. En zonder inspiratie is zelfs het drukste lijstje eigenlijk behoorlijk leeg.