Tagarchief: hoogbegaafdheid

Gehoord; Over hoofdpijn, paracetamol en écht luisteren

Ik had al weken hoofdpijn. Zo’n zeurende pijn die er altijd lijkt te zijn, net genoeg om je uit je concentratie te halen, maar niet ernstig genoeg om er direct iets mee te doen. Dus stelde ik het uit. Want ja, aanstellerij, dacht ik. Er zijn mensen met échte problemen.

En eerlijk: als je je hele leven al behoorlijk anders voelt dan de rest, ben je extra alert op hoe je wordt ontvangen. Word je wel serieus genomen? Of word je in gedachten al in de categorie “aanstellerij” geplaatst?

Bovendien: wat zou de dokter er nou mee kunnen? Ik zag het al voor me — vijf minuten gesprek, advies om wat minder stress te hebben en het vriendelijke voorstel om een paracetamolletje te nemen. Klaar.

Maar niks van dat alles. De dokter nam de tijd. Ze vroeg door, luisterde, dacht mee. Er was geen haast, geen oordeel. Na drie kwartier liep ik haar kamer uit met een concreet plan, een gerust gevoel en — verrassend genoeg — nog steeds hoofdpijn, maar wel een stuk lichter van binnen.

In de wachtkamer bleek het intussen bomvol. Ze liep dus inderdaad vreselijk uit. En toch voelde dat niet als onprofessioneel, maar als menselijk.

Want soms is dat alles wat we nodig hebben: oprechte aandacht. Even voelen dat je gezien wordt, dat je niet “te ingewikkeld”, “te veel” of “aanstellend” bent. Gewoon: jij mag er zijn.

En gek genoeg helpt dat soms beter dan een paracetamol.

Als speelsheid op de to-do-lijst staat

Er zijn van die periodes waarin alles tegelijk lijkt te gebeuren. Mijn mailbox stroomt over, mijn agenda loopt vol met afspraken, deadlines en lijstjes met dingen die “eigenlijk gisteren al klaar hadden moeten zijn” slingeren overal rond. En terwijl ik druk bezig ben met afvinken, merk ik dat er iets anders stilvalt: mijn inspiratie.

Het is alsof mijn hoofd zo vol zit met praktische taken dat er geen ruimte meer overblijft voor de luchtigheid waarin ideeën kunnen ontstaan. Geen speelsheid, geen creativiteit, alleen efficiëntie. En dat klinkt misschien productief, maar ik voel mijn energie gewoon wegstromen.

Vanuit hoogintelligent denken (Delphi-model) blijven we gemakkelijk in ons hoofd hangen — analyserend, ordenend, oplossend. Maar juist dat scherpe denken kan de ruimte voor verwondering en speelsheid in de weg zitten.

De Eisenhower-matrix zegt dat je onderscheid moet maken tussen wat belangrijk is en wat alleen maar haast heeft. Maar eerlijk gezegd: in drukke weken wint haast het bijna altijd. En dat is jammer, want juist in de ruimte tussen de taken — in het nietsdoen, het mijmeren, het even niksen — ontstaat de echte inspiratie.

Ik probeer mezelf eraan te herinneren dat ik geen machine ben, maar een mens. En dat spelen, dwalen en lanterfanten óók werk is — alleen op een andere frequentie.

Want zonder speelsheid geen inspiratie. En zonder inspiratie is zelfs het drukste lijstje eigenlijk behoorlijk leeg.

Nieuw jaar, oude ik

Nieuw jaar, nieuwe ronde, nieuwe kansen. Het klinkt altijd zo hoopvol. Alsof we op 31 december om 23:59 nog nét vastzitten in het oude leven, en op 1 januari om 00:01 ineens fris, vernieuwd en herboren zijn.

Ik heb dat altijd een vreemd idee gevonden. Want wat is er nu écht veranderd? De kalender slaat om, we wisselen 2025 in voor 2026, en dat is het. Geen resetknop, geen magische herstart. Alleen andere cijfers. Iets wat wij ooit hebben bedacht om de tijd overzichtelijk te houden. Best handig, maar ook behoorlijk kunstmatig.

En toch doen we massaal alsof het een nieuw begin móét zijn. Nieuwe doelen, nieuwe voornemens, een nieuwe versie van jezelf. Alsof alles wat nog onaf is per 31 december als bij toverslag automatisch vervalt.

Ik vraag me af of hoogbegaafden hier extra last van hebben. Misschien omdat we sneller door dat soort constructies heen kijken? Omdat we zien dat tijd gewoon doorloopt, dat processen niet stoppen bij middernacht, en dat verandering zelden netjes samenvalt met een kalenderpagina?

Ik houdt niet van in hokjes denken en zo voelt het wel; Is het leven niet eerder één lange stroom, met bochten, versnellingen en soms een pauze?

Misschien is dat waarom ik het nieuwe jaar liever zie als een voortzetting dan als een begin. Geen nieuwe ronde, maar dezelfde reis, één stap verder.

En eerlijk gezegd: dat voelt een stuk rustiger dan doen alsof ik mezelf elk jaar opnieuw moet uitvinden.

Samenwerken in de snelkookpan

Als een van de directeuren van het IHBV werk ik bijna altijd samen met andere hoogbegaafden. En laat ik je vertellen: dat is als werken in een snelkookpan. Zodra de eerste ideeën op tafel liggen, schiet het tempo omhoog. Er wordt gedacht, geassocieerd, bevraagd, bediscussieerd en weer omgegooid. Alles tegelijk, alles intens.

En eerlijk: dat is fantastisch. In een paar uur kom je tot inzichten en plannen waar anderen misschien weken over doen. Het voelt als een snelkookpan waarin de druk en temperatuur oplopen: alles gaart sneller, de essentie blijft beter behouden en de uitkomst is vaak rijker en smaakvoller dan wanneer je het op het gewone vuur had laten pruttelen.

Maar laten we eerlijk zijn: acht uur achter elkaar hou je dit niet vol. Na een ochtend bruis ik van energie én ben ik compleet gesloopt. Mijn hoofd draait dan nog wel door, maar mijn lijf roept: pauze, nu!

Volgens het Delphi-model van hoogbegaafdheid is dat niet zo vreemd. Hoogbegaafden zijn vaak snel, intens, creatief en complex in hun manier van denken en doen. Zet er een paar bij elkaar en je krijgt een enorme versnelling. Prachtig, maar ook onmogelijk om de hele dag vast te houden.

Toch zou ik het voor geen goud willen missen. Want juist in die intensiteit zit de inspiratie. Je wordt uitgedaagd, aangescherpt, verrast. En je voelt hoe je met elkaar tot iets komt dat je in je eentje nooit had bedacht.

Dus ja, samenwerken met hoogbegaafden is soms vermoeiend. Maar bovenal: het is een feest — in de snelkookpan. Je hoeft er alleen niet élke dag in te koken.

Altijd bang

Ooit zocht ik hulp bij een psycholoog en daar had ik een diagnose voor nodig. Anders mocht het niet. Na het invullen van een stapel vragenlijsten kwam daar de diagnose angststoornis NAO uit. NAO = Niet Anders Omschreven en dat betekent dat je niet in een van de standaardhokjes past, maar wél in een hokje moet. Handig, toch? Zo kon de behandeling beginnen. Alleen jammer dat ik mezelf in die diagnose totaal niet herkende.

Want ja, ik ben vaak bang. Maar niet op de manier die in de boekjes staat. Ik zie gewoon álle opties waarop iets mis kan gaan. En geloof me: dat zijn er veel. Het brein van een hoogbegaafde is namelijk een soort popcornmachine — er springt altijd wel weer een scenario omhoog.

Maar gek genoeg laat ik me er niet door tegenhouden. Integendeel. Ik beland in de meest bizarre situaties. Ga gerust mee op safari in Afrika, spreek voor een volle zaal of trim mijn eigen hond (zie een eerdere column) — terwijl mijn hoofd onderweg honderdtwintig keer roept: maar wat als…?!

Pas later snapte ik dat mijn angst niet weg te behandelen viel, want het is geen los probleem. Het ís wie ik ben: snel, complex, intens. Ik zie te veel mogelijkheden. En eerlijk gezegd: dat is soms doodvermoeiend, maar ook best handig.

Dus ja, ik ben bang. Maar bang mét lef.

Ruimte

Voorafgaand aan mijn reis door zuidelijk Afrika was ik niet alleen mijn koffer aan het inpakken, maar ook een flinke dosis zorgen. Een groepsreis betekent immers: dagenlang met dezelfde mensen optrekken. En dan begint het te malen: “Zullen ze me wel zien zitten? Kan ik mezelf zijn, of moet ik voortdurend mijn woorden op een goudschaaltje wegen?” Dat gevoel van ‘anders zijn’ draag ik al zolang ik me kan herinneren met me mee. Alsof er altijd een dun laagje glas tussen mij en de rest zit. Ik zie en hoor alles, maar voel me niet vanzelfsprekend onderdeel van het geheel. Het voelt voor mij niet persé eenzaam. Ik zou het eerder als een soort vervreemding omschrijven. Maar deze keer liep het anders. Het was niet zo dat ik vanaf dag één volledig opging in de groep of dat iedereen me meteen helemaal begreep. Maar er was wél ruimte. Ruimte om er gewoon te zijn, om af en toe een grapje te maken, of even stil te zijn zonder dat het ongemakkelijk werd. Misschien was het een mix: zij vonden mij blijkbaar oké genoeg, en ik vind het inmiddels niet meer zo rampzalig om de ‘outcast’ te zijn. Die rol zegt tenslotte niet dat je er niet bij hoort — soms betekent het alleen dat je je eigen plek hebt. Het werd een reis vol bijzondere plekken, mooie gesprekken en genoeg momenten waarop ik me op mijn gemak voelde. En dat is voor mij al heel wat, om dat te ervaren buiten de HB-Community. Ik kwam thuis met honderden foto’s, maar het beeld dat me het meest bijblijft, is niet één waarin ik midden in de groep sta. Het is er één waarin ik mezelf zie — op mijn eigen manier, en dat is prima.

Oerkracht

Bij de Victoria Falls begon het al bij het geluid. Nog voor ik iets zag, hoorde ik het donderende geraas van water, dat over 1,7 km ruim 100 meter naar beneden dondert. En ineens voelde ik het: een brok in mijn keel, tranen achter mijn ogen. Toen ik de watervallen daadwerkelijk zag, was er geen houden meer aan. De tranen stroomden langs mijn wangen. Van ontroering, van verwondering, van de overweldigende schoonheid en kracht van de natuur.

Mijn reisgenoten keken verbaasd toe. “Ja, het is mooi, maar…” Hun zinnen bleven hangen in onbegrip.

Vroeger zou ik me gegeneerd hebben gevoeld, excuses gemompeld of mezelf bij elkaar geraapt. Nu niet meer. Ik heb daar gewoon heerlijk een potje staan janken. En eerlijk? Het luchtte enorm op.

Volgens het Delphi-model van hoogbegaafdheid zijn intense emoties niet vreemd. Alles komt binnen — diep, rauw, gelaagd en vaak onverwacht. Wat anderen misschien overdreven vinden, is voor mij simpelweg écht. Ik beleef de dingen met volle kracht.

En terwijl ik dit schrijf, stromen de tranen alweer.

Niet van verdriet, maar van herkenning. Van dankbaarheid dat ik dit zó kan voelen. Van het besef dat mijn tranen me vertellen dat ik écht leef.

Wat wil je nu eigenlijk zeggen?

“Wat wil je nu eigenlijk zeggen?” Die vraag krijg ik verrassend vaak. En ik snap het. Want ik begin met een verhaal over iets wat me opviel bij het uitlaten van de honden, en ineens ben ik aan het uitleggen hoe het zit met het Israël-Palestina conflict en waarom ik nooit op maandagochtend afspraken moet plannen.

Ergens onderweg ben ik dan de draad kwijtgeraakt. Of eigenlijk: ik ben een ander draadje gaan volgen. Want zo werkt mijn hoofd. Eén gedachte roept een andere op, en nog een, en nog een. Voor ik het weet ben ik bezig met een intern kluwen van associaties, verbindingen en zijpaadjes waar een buitenstaander acuut duizelig van zou worden.

Volgens het Delphi-model van hoogbegaafdheid is dat niet zo gek. Het model beschrijft hoe hoogbegaafden hun bestaan beleven: intens, snel, complex en creatief. Denken, voelen en waarnemen lopen in elkaar over. Mijn hoofd maakt voortdurend verbindingen, bouwt werelden en schakelt razendsnel – zelfs als ik daar zelf niet om gevraagd heb.

Maar goed. Wat ik dus wilde zeggen… eh… wacht, even terugspoelen… O ja! Dat het misschien wat kronkelig klinkt, maar er zit wél een logica in.

Morgen begin ik echt

Al járen zeg ik tegen mezelf dat ik graag columns wil schrijven. Ik zie het helemaal voor me: rake observaties, een vleug humor, misschien zelfs iets dat iemand anders raakt of aanzet tot denken. Maar tot nu toe? Nog nooit één woord op papier gezet.

Niet omdat ik het niet wil. Integendeel. Maar ergens tussen het idee en de uitvoering gaat het mis. Dan wil ik eerst precies weten wat ik wil zeggen. En hoe. En of het wel goed genoeg is. En of iemand er eigenlijk wel op zit te wachten. Dus schuif ik het voor me uit. “Later. Als ik tijd heb. Als ik scherp ben. Als ik weet waar ik moet beginnen.”

Herkenbaar?

Voor veel hoogbegaafde volwassenen is uitstelgedrag geen luiheid, maar een mengsel van perfectionisme, overprikkeling en overanalyse. We denken veel. En snel. Maar juist dat denken maakt het starten soms zó groot, dat het verlammend werkt.

Dus bij deze: mijn eerste column. Niet perfect. Misschien niet wat ik bedoelde. Maar wél geschreven. En dat is, voor vandaag, precies genoeg.