Ik had al weken hoofdpijn. Zo’n zeurende pijn die er altijd lijkt te zijn, net genoeg om je uit je concentratie te halen, maar niet ernstig genoeg om er direct iets mee te doen. Dus stelde ik het uit. Want ja, aanstellerij, dacht ik. Er zijn mensen met échte problemen.
En eerlijk: als je je hele leven al behoorlijk anders voelt dan de rest, ben je extra alert op hoe je wordt ontvangen. Word je wel serieus genomen? Of word je in gedachten al in de categorie “aanstellerij” geplaatst?
Bovendien: wat zou de dokter er nou mee kunnen? Ik zag het al voor me — vijf minuten gesprek, advies om wat minder stress te hebben en het vriendelijke voorstel om een paracetamolletje te nemen. Klaar.
Maar niks van dat alles. De dokter nam de tijd. Ze vroeg door, luisterde, dacht mee. Er was geen haast, geen oordeel. Na drie kwartier liep ik haar kamer uit met een concreet plan, een gerust gevoel en — verrassend genoeg — nog steeds hoofdpijn, maar wel een stuk lichter van binnen.
In de wachtkamer bleek het intussen bomvol. Ze liep dus inderdaad vreselijk uit. En toch voelde dat niet als onprofessioneel, maar als menselijk.
Want soms is dat alles wat we nodig hebben: oprechte aandacht. Even voelen dat je gezien wordt, dat je niet “te ingewikkeld”, “te veel” of “aanstellend” bent. Gewoon: jij mag er zijn.
En gek genoeg helpt dat soms beter dan een paracetamol.